zondag 14 februari 2016

Speldenprikken






Op het bureau lagen een Browning uit 1906 en een  lichtblauw gerafeld pocketboekje waar hier en daar bladzijden uit weggescheurd waren
‘Dit zat tussen uw spullen, meneer Mosterd, leg ons eens uit wat een krantenman met een pistool moet.’
De inspecteur wees naar het wapen. Hij had nu gezelschap van iemand van de recherche.
‘En dit misdaadromannetje waarvan pagina’s ontbreken, is  ook hoogst merkwaardig.’
‘Linkerbeen gezocht’ van F.R.Eckmar en Jan den Hartog, vulde de rechercheur aan. Een boek met twee schrijvers. Dat is apart.’
‘Dat pistooltje heb ik van m’n vader geërfd, die zat in het verzet. Er zit geen munitie in.’ 
‘Op mijn  toeristische wandeling heb ik het ding meegenomen om  lui  die mij overvallen willen in mijn tentje  eens flink af te schrikken. En  die gekke naam is een pseudoniem dat ‘Verrek maar’ betekent.’ Dat is toch grappig!’
‘Nou wij hier van bureau Ossenmarkt zien er de lol niet van in, meneer Mosterd. Met of zonder kogels. Het gaat  in dit geval wel degelijk om verboden wapenbezit. Dat is een ernstig feit, nietwaar rechercheur Bakker?’ 

Die knikte, pakte het detectiveverhaal over het zoekgeraakte linkerbeen, liet de bladzijden onder zijn duim verspringen en zei: ‘En in dat leesboekje van U missen bladzijden, die zijn er duidelijk uitgescheurd. 
Na pagina 5 is alles weg, pas op bladzij 24 gaat het verhaal verder en er zijn zo hier en daar letters met potlood omcirkeld  en onder sommige woorden staat een streep. Dat is verdacht!’
‘Dat schietijzer confisqueren wij. Het betekent een boete en u krijgt zo een strafblad als u dat tenminste nog niet hebt.’
De inspecteur trok een bureaula open en het gooide antieke pistooltje erin.

‘Uit macht van de gewoonte, zet ik uitroep- en vraagtekens in een tekst, ik deed een paar jaar eindredactie bij de oudste krant van Nederland, weet u! En wanneer het om een niemendalletje gaat, als ik het niet zo spannend en slecht geschreven vindt, gooi ik  iedere gelezen bladzij van een boek in de prullenmand of uit het raam als ik in de trein zit’
‘Juist, de trein, de aanleiding dat wij u hier onderdak verschaft hebben, dat was ik bijna vergeten. Meneer Mosterd is  zonder toestemming meegereden met een militaire trein, Bakker.’
Intussen bespeelde de politietypiste haar elektrische typmachine, herhaalde met gedempte stem ‘t gehoorde en vertrouwde alles wat er gezegd werd aan een A-viertje toe.

Bakker gaf ‘Het Linkerbeen’ aan Inspecteur Spekman.  Die bestudeerde de  afbeelding op de lichtblauwe omslag liet ‘t oog over de eenzame eerste pagina gaan en las halfluid: 
Nacht rond post Koenhaven. Ik weet niet hoe ik eraan kom, maar d’r broeit wat vanavond,’ zei inspecteur Boyarski, nadat hij zijn zoveelste sigaret had opgestoken……
“Ja, er zit onweer in de lucht….,’ antwoordde brigadier Stuntvoet afwezig, en streek met roodbehaarde vuist over zijn stoppelkin.’
Hij schoof het gehavende paperbackje over het bureaublad terug  en zei: ‘Dat plaatje van dat gezochte linkerbeen in die hoge schoen met veters deugt niet. Het is een rechterbeen.’
Bakker knikte instemmend,  bekeek het kaft, bromde: ’Ja  en dan ook  nog een lange wit gestreepte sok  in een witte schoen.’ 
Hij hield  vervolgens de eerste bladspiegel tegen het licht en spelde met nadruk de woorden van de laatste  zinnen: ‘Nou en of!’, antwoordde hij en ontblootte zijn rechterpols, waarop een beweeglijk litteken zichtbaar was. Dat schrammetje heb ik nog aan meneer Fen Tsu Lang te danken!’

‘Er zitten gaatjes door en onder bepaalde letters,’ zei hij, ‘ kijk maar.’
Hij hield het papier omhoog. Er viel een stilte.
‘Dat lijken speldenprikken, hoe komen die daar, meneer Mosterd.’
Spekman wees naar de geperforeerde bladzij.
‘Ik heb geen flauw idee, het is me niet opgevallen, ik  let niet zo op die dingen, commissaris.’
‘Ik ben inspecteur en geen commissaris.’
Karel gooide z’n handen vertwijfeld omhoog.
De rechercheur had intussen een velletje papier gepakt en noteerde  alle gaatjesletters, telde ze mompelend; het waren er ruwweg twee dozijn. Hij liep naar de deur, wenkte zijn chef en samen verdwenen ze op de gang. 
De schrijfmachine tikte niet meer. De typiste inspecteerde met  een spiegeltje haar wenkbrauwen, wimpers en lippen en deed of ze alleen op de wereld was. 
Eindelijk kwamen zijn ondervragers weer in beeld. Hij kreeg te horen dat de sessie voor vandaag voorbij was.
Ze wisten even genoeg, maar er  diende  toch nog advies ingewonnen te worden. Hij kon terug naar de cel. 
©c.u.
vervolg van       Gedichten voordragen

Geen opmerkingen: